Welkom,

Wij zijn GGZ Opweg. Als vervoersdienst voor cliënten binnen de geestelijke gezondheidszorg vervoeren en begeleiden wij cliënten; zo normaal mogelijk. Wij geloven dat professionals het verschil maken. Door de inzet van psychiatrisch verpleegkundigen verzorgen wij het beste GGZ vervoer – dag en nacht.

Normaliserend en anti-stigmatiserend

GGZ Opweg stelt de cliënt centraal door een zo normaal als mogelijk vervoer in te zetten om zo voorbij te gaan aan (zelf) stigma als gevolg van de kwetsbaarheid van de cliënt door zijn of haar geestelijke aandoening. De autonomie van de cliënt staat binnen onze visie voorop en loopt als rode draad door het proces.

Verpleegkundige begeleiding (BIG geregistreerd)

Alle begeleiders van GGZ Opweg zijn gediplomeerd verpleegkundige met minimaal 5 jaar ervaring in de geestelijke gezondheidszorg. De cliënt wordt op een humane manier begeleid waarbij motiverende gespreksvoering en de-escalerende gesprekstechnieken in worden gezet om elke rit zo goed mogelijk te laten verlopen.

Dag en nacht beschikbaar

De zorg kent geen sluitingstijden. Om onze dienstverlening dan ook zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de (acute-)zorgbehoefte van de cliënten en de efficiëntie binnen psychiatrische afdelingen, zijn wij 24 uur per dag, 7 dagen in de week beschikbaar voor het uitvoeren van ad hoc en bestelde ritten.

Begeleiding buiten vervoer

Naast begeleiding in de bus, is er ook de mogelijkheid om GGZ Opweg in te zetten voor het begeleiden van cliënten bij bijvoorbeeld ziekenhuisbezoeken, rechtbankbezoeken en verlof. Dit kan uiteraard aansluiten aan het vervoer, heen en terug.

Actueel

In deze blogserie: 7 complexe vragen, met verhelderende antwoorden over: “Verwarde Personen”, de Geestelijke Gezondheidszorg en de mensen die er werken.

Inleiding

In het jaar dat ik mijn opleiding tot verpleegkundige begon, 1993, werd de genetische afwijking ontdekt die de ziekte van Huntington veroorzaakt. De ziekte van Huntington is een aandoening waarbij de hersenen deels verschrompelen, wat bij mensen tussen hun 35e en 45e tot de eerste symptomen leidt. De zogenaamde Sint Vitusdans, onwillekeurige spastisch uitziende bewegingen, is een belangrijk kenmerk van Huntington. Maar mijn toenmalige psychopathologieboek dateerde nog van vóór 1993 en daarin stond Huntington nog gewoon als psychische stoornis beschreven. Hoewel de ontdekking van de genetische afwijking (nog) niet heeft geleid tot een effectieve behandeling weten we over deze ziekte een stuk meer dan dertig jaar geleden.

Quick and dirty

Een kort en gemakzuchtig antwoord op de vraag naar waarom er bij psychische stoornissen nog geen ziekte van Huntington-achtige doorbraak is, luidt: omdat psychische stoornissen geen ziekten zijn. Er is geen fysiek aanwijsbare oorzaak, geen biologisch substraat, voor de problemen. Er wordt ook al lang gezocht naar genen en hersenafwijkingen die verklaren waarom mensen crimineel zijn – en die worden niet gevonden. Zeker weten doen we dat echter niet, en aangezien anderen zeker weten dat de biologische basis er wél is, zoeken we door. Maar dat betekent wel dat we ons, zolang het substraat niet gevonden is, moeten afvragen of de GGZ zich wel zo moet spiegelen aan de rest van de geneeskunde.

Slow and clean

Het tweede antwoord is dat geestelijke gezondheidszorg ingewikkelder is dan welk ander vakgebied dan ook. Dat klinkt wat verontschuldigend maar is waarschijnlijk waar: de hersenen zijn het meest complexe orgaan in het menselijk lichaam, dat bovendien talloze andere delen van het lichaam aanstuurt. Deze verklaring dekt ook niet helemaal de lading, want de neurologie heeft wél aanzienlijke vorderingen gemaakt – zie het voorbeeld van Huntington. Naast de biologische complexiteit is er de biopsychosociale complexiteit: psychische stoornissen ontstaan en duren voort door de combinatie van biologische, psychologische en sociale factoren. Hoewel dit model wijdverspreid is in de hele geneeskunde, lijken bij psychische stoornissen de psychologische en sociale processen minstens zo belangrijk als de biologische. Ook daarom kunnen we ons dus afvragen of het spiegelen aan medisch specialismen wel zo passend is.

Geen (biologisch) aangrijpingspunt

Psychologische en sociale factoren spelen een rol bij talloze andere, lichamelijke, stoornissen maar vaak minder direct dan bij psychische stoornissen. Een incapabele ouder heeft bijvoorbeeld wel indirect invloed op de gezondheid van zijn of haar kind, doordat er bijvoorbeeld niet voldoende goede voeding in huis is, de huisarts te laat wordt ingeschakeld, of het huis vol stofmijt zit door een gebrek aan hygiëne. Maar in al die gevallen is een andere factor dan de verwaarlozende ouder zelf de oorzaak van de ziekte. Bij psychische stoornissen gaat het juist om de ouder zelf, en de veiligheid en aandacht die hij of zij (niet) biedt, die direct van invloed is op de hechting van het kind. Hechting is een psychologisch concept dat we maar moeilijk rechtstreeks in de genen of omgevingsfactoren kunnen meten maar wel zeer belangrijk is voor de mate waarin mensen positieve relaties met anderen kunnen aangaan (zie ook vraag 3). Tegelijkertijd weten we niet zeker of hechting zo belangrijk is, want we kunnen het niet rechtstreeks vaststellen of in verband brengen met specifieke stoornissen. Een duidelijk aangrijpingspunt, zoals dat er bij bijvoorbeeld kanker in de vorm van kankercellen wel is, ontbreekt bij psychische stoornissen. Mogelijk is dat de belangrijkste reden dat het niet hard gaat met de voortgang, of zoals hoogleraar biologische psychiatrie René Kahn het onlangs plastisch zei: ‘We kunnen zo moeilijk bij het [hersen]weefsel.’ Als remedie voor het gebrek aan doorbraken ziet hij aandacht voor eerdere levensfases, dus veel vroeger al bij jongeren en kinderen zoeken naar aanwijzingen voor stoornissen. Dit is de invalshoek van de vroege detectie – die veel lijkt op de hieronder besproken stagering maar zich meer focust op kinderen en jeugdigen.

Waren de psychofarmaca een grote doorbraak?

De ontdekking van de psychofarmaca, medicatie met een positieve werking op onrust, agressie en psychische symptomen, wordt gezien als een grote doorbraak in de behandeling van mensen met psychische stoornissen. In de jaren vijftig en zestig werden deze effecten meestal bij toeval gevonden bij al bestaande middelen. Pas vanaf de jaren zeventig werd er geïnvesteerd in de ontwikkeling van medicatie voor psychische stoornissen. Ook over dit onderwerp, de vaak geclaimde revolutie die deze medicatie teweegbracht, is discussie. Voorstanders menen dat het een begin was van een nieuwe tijdperk, anderen relativeren het belang ervan – en vooral het effect op het aantal in ziekenhuizen opgenomen mensen. Ooggetuigen van destijds zijn wel overtuigd van hun impact: de medicatie zorgde in ieder geval voor rust op de afdeling, waardoor andere interventies mogelijk werden – zoals het betrekken van familie, het meer uitvoeren van activiteiten buiten het ziekenhuis en dergelijke.

‘Complexe’ stoornissen

Het is gewoonte geworden psychische stoornissen te omschrijven als ‘complexe stoornissen’. Dat zijn ze omdat de oorzaken en de wijze waarop de stoornis ontstaat, bepaald worden door een ingewikkelde mix van genetische en omgevingsfactoren, en omdat het natuurlijk beloop enorm kan variëren. Er wordt door professionals en onderzoekers hard gezocht naar manieren om wel tot resultaten te komen. Een voorbeeld is door gebruik te maken van stagering en profilering, waarbij het beloop van een stoornis uitgangspunt is. Met stagering wordt de fase van ontwikkeling van een ziekte beschreven. Ziektepro lering is het in de diagnostiek betrekken van factoren waarvan bekend is dat ze het beloop of de reactie op behandeling kunnen voorspellen. Hoewel dit een beloftevolle benadering is, blijft het ook bij deze aanpak problematisch dat we niet rechtstreeks kunnen meten hoe ernstig een stoornis is, waardoor het dus onduidelijk blijft wanneer er precies iets verandert en welke oorzaak dat had.

De denkfout

Bij het verlangen en zoeken naar de grote doorbraak is sprake van de ‘één oorzaak’- denkfout: we gaan die definitieve verklaring nu echt binnenkort vinden. Maar psychische stoornissen blijken zich niet te lenen voor een enkelvoudige benadering. Hoewel heel veel onderzoekers dat al lang weten blijft de neiging zich op één ding te richten toch bestaan.

Samenvatting

Tot nu toe bleven grote doorbraken uit bij psychische stoornissen, vergeleken met de neurologie en de rest van de geneeskunde. Psychische stoornissen zijn complex, zo blijkt steeds, door de combinatie van biologische, psychische en sociale factoren. Nieuwe benaderingen om toch dichter bij oorzaken en behandeling te komen, zijn het benoemen van psychische stoornissen als ‘complexe’ stoornissen, het zoeken naar aanwijzingen op vroege leeftijd en het onderscheiden van verschillende fases van een stoornis.

Lees alle vragen 

 

Deze vragen en antwoorden komen uit het boek:

Verward in Nederland, Dr. Bauke Koekkoek, 2017, uitgeverij LannooCampus: https://www.lannoocampus.nl/nl/verward-nederland

In deze blogserie: 7 complexe vragen, met verhelderende antwoorden over: “Verwarde Personen”, de Geestelijke Gezondheidszorg en de mensen die er werken.

Inleiding

Jaarlijks laat de politie in het vroege voorjaar weten hoeveel meldingen van ‘verwarde personen’ er in het voorgaande jaar zijn geweest. En dat aantal stijgt al een aantal jaren, van iets meer dan 40.000 in 2011 tot bijna 66.000 in 2015. Steevast krijgt het cijfer de nodige landelijke media-aandacht, waarbij de toon is dat het allemaal ‘steeds erger’ wordt. De stijging is niet onopgemerkt gebleven door politici: al meermaals zijn er Kamervragen gesteld over ‘verwarde personen’, waarin altijd de link met bezuinigingen op de GGZ wordt gelegd. Concreet wordt het verminderen van psychiatrische bedden in veel media als dé oorzaak genoemd van de toename van verwarde personen. (lees en kijk verder)

Aanjaagteam/ schakelteam

Naar aanleiding van de maatschappelijke onrust heeft de minister van VWS in het najaar van 2015 een taskforce ingesteld. Deze groep, onder de wat onheilspellende naam ‘aanjaagteam verwarde personen’, kwam na twee tussenrapportages in september 2016 met een definitief rapport. In de conclusies benadrukt het team vooral dat er een sluitend sociaal vangnet moet komen voor potentieel ‘verwarde’ mensen – zodat ze niet op straat worden aangetroffen door de politie. De politie krijgt namelijk het meest te maken met mensen die verward zijn – het is de eerst aangewezen hulpdienst bij overlast en zorgwekkende situaties waarvoor niet direct een ambulance nodig is. De term ‘verwarde personen’ is dan ook door de politie geïntroduceerd om een groep mensen aan te duiden die op een of andere manier bij hen in beeld komt en een ‘verwarde’ indruk maakt. De belangrijkste deelvragen in dit hoofdstuk zijn: wie zijn nu precies die ‘verwarde personen’? En is de toename van het aantal meldingen te verklaren door de afname van het aantal bedden in de GGZ? Om die vragen te beantwoorden maak ik gebruik van onderzoek door de politie (naar wie verwarde personen zijn), door het Trimbos-instituut (naar het aantal bedden in de GGZ) en voor dit boek door Vektis ter beschikking gestelde cijfers (over het gebruik van crisisvoorzieningen en bedden in de GGZ).

Wie zijn nu precies die ‘verwarde personen’?

De politie heeft bewust gekozen voor de term ‘verwarde personen’ om geen ‘diagnostiek’ op basis van onvoldoende kennis te doen. Onder de E33-code ‘verward persoon’ vallen géén mensen die dronken zijn, huiselijk geweld plegen of een misdrijf hebben begaan – die codes gaan altijd vóór de ‘verwarde personen’-code. Noch volgens beleidsdocumenten, noch volgens politiemedewerkers is er sinds 2011 iets veranderd in de wijze van registratie – al kan het natuurlijk zo zijn dat er door de grote media-aandacht scherper geregistreerd wordt door individuele agenten dan voorheen, maar bewijs daarvoor hebben we niet. Anderzijds zou het goed kunnen dat doordat andere codes vóór gaan, er meer ‘verwarde personen’ zijn dan alleen die onder de E33-code geregistreerd worden.

De toename van meldingen van ‘verwarde personen’ is tegengesteld aan de meerjarige ontwikkeling van criminaliteit in Nederland: die daalt, net als in vele andere ontwikkelde landen, al jaren (tussen 2005 en 2015 jaarlijks met gemiddeld 3,6% per jaar). Nederlanders voelen zich de laatste jaren ook veiliger, al is de toename van het gevoel van veiligheid minder sterk dan de daling van de criminaliteit. Het aantal meldingen van ‘verwarde personen’ verschilt sterk per gemeente: van de grote steden vinden de meeste meldingen per duizend inwoners plaats in Amsterdam (6,7). In een aantal provinciesteden is dat aantal hoger, in Den Haag (5,2), Rotterdam (5,1) en Utrecht (4,1) is het lager per duizend mensen. Maar er zijn ook een aantal relatief kleine en niet-stedelijke gemeenten waar het aantal meldingen zeer hoog ligt. Vanwege de aard van het registratiesysteem is niet na te gaan om hoeveel personen het gaat, alleen om hoeveel meldingen. Het kan dus gebeuren dat vooral in kleine gemeenten één of enkele personen verantwoordelijk zijn voor het hoge aantal meldingen omdat zij zeer vaak (tientallen keren per persoon) in beeld komen.

Als we de groep ‘verwarde personen’ in gezondheidszorgtermen willen omschrijven stuiten we gelijk op het probleem dat de E33-meldingen in het politiesysteem per definitie geen standaardinformatie over diagnose, ziekte, handicap of zorgsysteem bevatten – alleen wanneer de dienstdoende agent daarvan expliciet melding heeft gemaakt. Om deze reden baseer ik me daarom op rapportages van de politie zelf, waarbij in samenwerking met GGD en GGZ-crisisdienst de Amsterdamse situatie is onderzocht, en in een tweede de Rotterdamse situatie.

In de onderstaande tabel is te zien dat de twee onderzoeken door de politie verschillende categorieën gebruiken, waardoor ze niet optimaal te vergelijken zijn. In ieder geval lijkt het in 64% van de gevallen in Rotterdam, en 34% in Amsterdam te gaan om mensen met een psychische stoornis (hiervoor zijn de getallen in de donker gearceerde rijen bij elkaar opgeteld). In 36-66% van de gevallen gaat het dus om andere problematiek, of is de psychische stoornis niet het enige probleem. De ‘verwarde persoon’ lijkt vooral iemand die vanwege zijn of haar geestesgesteldheid op moment van de melding niet in staat is voor zichzelf te zorgen of voor zichzelf in te staan – en daarvoor kunnen veel redenen zijn. In totaal wordt in ruim 26% en 19% van de gevallen de crisisdienst ingeschakeld. Dat betekent dus dat ‘verwarde personen’ in een vijfde tot een kwart van de situaties acute psychische problemen hebben.

VariabeleRotterdamAmsterdam
periodejan 2014-juni 20142012
steekproef425 meldingen278 meldingen
man/vrouw/onbekend?48%/44%/8%
leeftijd 30-59 jaar?55%
problematiek (*)
psychiatrisch patiënt45%5%
suïcidaal19%5%
verward-24%
overlastgevend-34%
hulpbehoevend/dement9%13%
verslaafd6%4%
agressie/dreiger/briefschrijver9%4%
zwerver-3%
onbekend-7%
overig13%-
Kuppens J, Appelman T, van Ham T, van Wijk A. Met Fuwelen handschoenen? Politie en de omgang met verwarde personen in Amsterdam. Arnhem: Bureau Beke; 2015. *vanwege het gebruik van verschillende termen/categorieën in de twee onderzoeken zijn niet alle meldingen op dezelfde manier in te delen

Ontwikkeling 2013-2014 van het aantal ‘verwarde personen’ (‘vp’) t.o.v. bedden(gebruik) en crisisinterventie in 32 Nederlandse regio’s

 Aantal ‘vp’ per 100.000 in 2014% verandering t.o.v. 2013Aantal bedden per 100.000 in 2014% verandering t.o.v. 2013Aantal crisis-dBc’s per 100.000 in 2014 % verandering t.o.v. 2013
‘t Gooi1937.91020.6526-27.5
Amstelland-De Meerlanden13227.646-7.43700.9
Amsterdam12463.5363-4.4399-21
Apeldoorn/Zutphen e.o.24712.5156-12.32565.6
Arnhem50110.13431.4277-8.7
Delft Westland Oostland190-9.5142-9.23518.8
Drenthe 183281140.9364-6.9
Flevoland 93-6.4519298-6.5
Friesland 32514.198-6.2356-0.3
Groningen 109718.6404-5.4357-3.5
Haaglanden 57122.8351-8.751019
Kennemerland 30942.5152-4.4452-25.2
Midden-Brabant 26931.6191-4.63389.9
Midden-Holland 27417.958-3.933715.2
Midden-Ijssel 794.450-4.9540-10.4
Nieuwe Waterweg-Noord 22121.683-6.9301-2
Nijmegen 2942.897-2.9269-4.3
Noord-Holland Noord 2648.41348.34880.5
Noord-Limburg 43119.2167-8.73018.1
Noordoost Brabant 68415.5575-8.6241-26.1
Rotterdam 46217.91668.9443-4
Twente
73820.4393-2.536819.1
Utrecht
99722.9564-7.5226-1.1
Waardenland 30724.3112-7.2350-8.3
West-Brabant 41612.2303-3.3308-19.9
Zaanstreek/Waterland 13421.213-8.5278-11.3
Zeeland 487-9.8125-5.9300-14.9
Zuid-Holland Noord
257-4.899-7265-1.5
Zuid-Hollandse Eilanden 12753.136-4.1298-17.7
Zuid-Limburg 411-0.3158-5.5458-1.9
Zuidoost-Brabant 39318.21574372-11.1
Zwolle 9219.7618-4.4338-15

Vraag 53b: is de toename van het aantal meldingen te verklaren door de afname van het aantal bedden in de GGZ?

In de afbeelding 53.1 is te zien, per zorgkantoorregio, hoeveel GGZ-bedden er waren en hoeveel gebruik er werd gemaakt van crisisinterventie en GGZ-bedden.

Samenhang tussen aantal 'verwarde personen' en GGZ-aanbod per regio
Samenhang tussen aantal ‘verwarde personen’ en GGZ-aanbod per regio

Daarbij zijn er verschillende bedden: beschermd wonen, voor opname, voor langdurig verblijf in een ziekenhuis en voor. In de meeste regio’s neemt het aantal ‘verwarde personen’ toe en het gebruik van voorzieningen af. Maar de mate waarin dat gebeurt verschilt sterk, en daarom is de samenhang tussen die twee slechts klein. In de tabel hieronder is te zien dat er een klein negatief verband is tussen de verandering in het aantal psychiatrische bedden (alle samen) en de verandering in het aantal meldingen van ‘verwarde personen’. Dat wil zeggen dat de toename van het aantal ‘verwarde personen’ voor circa 10% samenhangt met de afname van het aantal bedden. Als we die kleine samenhang uitsplitsen dan zien we dat die niet te maken heeft met de afname van het aantal bedden voor acute opname, want daar is een positieve samenhang (15,7%). Het lijkt meer te zitten in de afname van het aantal bedden voor langdurig verblijf (-13,6%) en beschermd wonen (-15,6%). Tussen de inzet van de GGZ-crisisdienst (die iets verminderd is) en de toename van het aantal verwarde personen bestaat helemaal geen noemenswaardig verband (1,7%).

Reflectie

Het antwoord op de vraag of de toename van het aantal ‘verwarde personen’ veroorzaakt wordt door de afname van het aantal bedden in de GGZ kunnen we heel duidelijk beantwoorden: nee, die twee hebben nauwelijks iets met elkaar te maken. Ook de inzet van de crisisdienst is niet van invloed. In ongeveer 20-25% van de gevallen werd bij een ‘verward persoon’ de GGZ-crisisdienst ingeschakeld. Dus blijkbaar viel het met de acute psychische problematiek mee, wat ook verklaart waarom er zo weinig verband met het aantal bedden wordt gevonden – meestal loopt een acute opname namelijk via de crisisdienst, dus als die niet in beeld komt vindt meestal ook geen opname plaats. Of andere vermeende ‘bezuinigingen’ op de GGZ wel van invloed zijn was helaas niet vast te stellen met de beschikbare data.

Betekent dit dat de ‘verwarde personen’ geen probleem zijn, of geen ‘echte patiënten’? Absoluut niet. Het betekent wel dat de ‘schuld’ van de toename van het aantal meldingen niet eenzijdig bij de GGZ ligt. Sowieso is het wat te simpel om een instantie de schuld te geven van een complex probleem en is het nuttiger om te bekijken wie wat kan bijdragen aan de oplossing. Maar als we toch even reflecteren op de toename van het aantal meldingen over ‘verwarde personen’ dan komen we op de volgende mogelijkheden:

  • De Nederlandse politie is, vanwege een krapper budget en een nauwere taakop- vatting, scherper gaan registreren en ‘vindt’ daardoor meer ‘verwarde personen’.
  • Lokale hulpverleningsinstanties hebben, vanwege transities en krappere bud- getten bij toegenomen taken, minder aandacht gekregen voor de mensen ‘aan de rand’ van hun zorgterrein.
  • Regievoerders over de zorg voor mensen ‘aan de rand van het systeem’ hebben minder ruimte gekregen of genomen om strak de regie te voeren. waardoor de samenwerking tussen de betrokken instanties verminderd is en er eerder mensen ‘over de schutting’ worden gegooid naar andere instanties.

Waarschijnlijk zijn alle voornoemde verklaringen, in ieder geval voor een deel, geldig. Zoals het Aanjaagteam Verwarde Personen onlangs terecht concludeerde zijn de ‘verwarde personen’ niet een probleem van de politie, van de GGZ of van een andere partij maar van de samenleving en het zorgsysteem. Centrale regie en gedeeld beleid kunnen het aantal meldingen van ‘verwarde personen’ fors naar beneden brengen, zo blijkt uit de ervaringen in een aantal steden.

Samenvatting

Er is geen verband tussen het lagere aantal bedden in de GGZ en de stijging van het aantal verwarde personen. De gedachte dat de GGZ alleen verantwoordelijk is voor het ontstaan en het oplossen van de toename van ‘verwarden’ is een misvatting die voor veel problemen op de werkvloer zorgt. De term ‘verward persoon’ suggereert dat er psychisch iets niet in orde is met iemand, dat door GGZ-professionals ‘gefikst’ kan en moet worden – maar vaak is er veel meer aan de hand dan alleen ‘iets psychisch’. Maar wie meermaals verward door de politie wordt aangetroffen heeft wel degelijk een probleem, vaak met het krijgen van de juiste zorg. De GGZ heeft, met een aantal andere instanties en de gemeente, een belangrijke rol om het zorgsysteem zo in te richten dat er niet steeds meer mensen tussendoor vallen.

Volgende week: Wanneer komen de grote doorbraken in de behandeling van psychische stoornissen?

 

Deze vragen en antwoorden komen uit het boek:

Verward in Nederland, Dr. Bauke Koekkoek, 2017, uitgeverij LannooCampus: https://www.lannoocampus.nl/nl/verward-nederland

Meer nieuwsberichten