Kan de buurman of buurvrouw helpen? – Verward in Nederland #4

In deze blogserie: 7 complexe vragen, met verhelderende antwoorden over: “Verwarde Personen”, de Geestelijke Gezondheidszorg en de mensen die er werken.

Inleiding

Met het antwoord op deze vraag begeef ik me snel op glad ijs: de belangen en de inkomens van veel professionals zijn ermee gemoeid bleek laatst toen een hoogleraar deze vraag met ‘ja’ beantwoordde. Ook dreigt het psychische leed van veel mensen ermee miskend te worden, want als de buurvrouw dat ook kan ‘oplossen’, hoe erg kan het dan zijn? Maar toch, al in 1979 schreef de Nederlandse losoof Achterhuis kritisch over ‘de markt van welzijn en geluk’ waarop professionals steeds actiever werden. De gedachte dat alleen professionals passende hulp kunnen bieden leeft vooral in het hoofd van professionals zelf. Dat is niet vreemd, want zij zien alleen een selectie van mensen met ernstiger of hardnekkiger problemen – omdat anderen al eerder ergens geholpen zijn, of hulp niet nodig vinden. Vanuit dat perspectief is het niet vreemd dat professionals denken dat mensen het niet zelf zullen redden.

Maria had eigenlijk gehoopt dat haar zus, die toch al veel behandeling 
heeft gehad, haar adviezen kon geven hoe van haar problemen af te komen. 
Maar helaas, haar zus drong vooral aan op professionele hulp – ondanks dat 
ze daar zelf niet altijd tevreden over is. Maria zelf denkt dat ze wel 
verder zou kunnen komen door een paar goede gesprekken met iemand met 
soortgelijke problemen. Maar nu haar zus niet thuis geeft, weet ze niet 
wie ze in vertrouwen kan nemen.

Type hulp

Of de buurvrouw hulp kan bieden hangt erg af van welke hulp de persoon met psychische problemen verwacht of nodig heeft. In het geval van Maria zou het best kunnen helpen. In geval van Saïd (zie vraag 1) niet: de buren zullen hem geen langdurig verblijf bieden en dus is hij al snel aangewezen op professionele hulp. Ook een gestructureerde behandeling om stapsgewijs van een bepaalde angst af te komen (bijvoorbeeld met de lift naar beneden durven gaan om je kind naar school te brengen), kan de gemiddelde buurvrouw of -man die niet bieden. Maar gaat het om een luisterend oor, begrip en erkenning, praktische adviezen, een oogje in het zeil of een stevige peptalk, dan kan het heel goed dat buren dat doen. Sterker: door hun fysieke nabijheid en ‘gewone’ aanpak zouden buren, vrienden of andere belangrijke naasten nog wel eens effectiever kunnen zijn dan professionals. Mensen zoeken minder snel professionele help als ze een goed steunsysteem hebben. De Nederlandse en internationale cijfers over zorggebruik bevestigen dit beeld: mensen met een klein sociaal netwerk zijn sterker vertegenwoordigd. Maar daarbij moeten we natuurlijk voorzichtig zijn. Het is niet gezegd dat mensen zorg gebruiken omdat ze een beperkt sociaal netwerk hebben. Het kan ook zo zijn dat de persoon zorg gebruikt omdat hij of zij een psychische stoornis heeft, die er ook voor zorgt dat diens netwerk klein is.

Ervaringdeskundigen

Een in Nederland nog vrij nieuwe ontwikkeling is de opkomst van ervaringsdeskundigen: mensen die zelf psychische problemen hebben (gehad) en nu anderen helpen. In sommige andere landen en in de verslavingszorg hoort de ervaringsdeskundige er al veel langer bij, maar nu dus ook steeds meer in de Nederlandse GGZ. Er bestaat niet veel onderzoek naar de effectiviteit van gesprekken met ‘leken’ versus gesprekken met professionals, wel naar contacten tussen lotgenoten – die werken vrij goed.

 

Wie zijn dan die professionals in de geestelijke gezondheidszorg?

Er werkt een breed scala aan hulpverleners in de GGZ met specifieke opleidingen, diploma’s en erkenningen – nauw verbonden aan verschillende beroepsverenigingen. Voor de buitenstaander, en zelfs voor de insider, is het wel eens onduidelijk wie wie is en wie wat doet. Ik maak daarom eerst een grove indeling naar vier typen opleidingen: de mbo-opgeleiden (circa 35-40%), de hbo-opgeleiden (circa 30-35%), de academisch-medisch (circa 10%) opgeleiden en de academisch-psychologisch (circa 15-20%) opgeleiden.

De mbo-opgeleiden vormen getalsmatig de grootste groep en omvat agogen, ver- pleegkundigen, verzorgenden en andere mbo-professionals. Ze werken vaak in de dagelijkse zorg in klinieken of ambulante teams, hebben meestal veel direct contact met cliënten, en houden zich vooral bezig met zorg en begeleiding in het dagelijks leven.

De hbo-opgeleiden zijn onder andere verpleegkundigen, maatschappelijk werkenden en sociaalpedagogisch hulpverleners. Grofweg valt deze groep uiteen in verpleegkundigen en zogenoemde GGZ-agogen. In feite doen ze vaak soortgelijk werk als de hiervoor beschreven mbo-professionals maar meestal heeft de hbo-professional meer verantwoordelijkheid en professionele autonomie. Mbo-professionals werken vaker in klinieken en in beschermende woonvormen, hbo’ers steeds vaker ambulant. Een derde groep hbo-professionals is veel kleiner en wordt vaak gezamenlijk benoemd als ‘vaktherapeuten’. Zij bieden ‘non-verbale therapie’ en zijn onder anderen creatief therapeuten, psychomotorische therapeuten en activiteitenbegeleiders. De hbo-groep is groot, breed inzetbaar, praktisch ingesteld en meestal matig wetenschappelijk geïnteresseerd.

De academisch-medisch opgeleiden zijn het kleinst in aantal maar wel belangrijk in de GGZ. Moeilijke beslissingen, bijvoorbeeld buiten kantoortijden en in acute situaties worden vaak door artsen en psychiaters genomen. Hoewel ze de verantwoordelijkheid delen met andere professionals, voelen medici zich vaak ‘eindverantwoordelijk’. De opleiding geneeskunde duurt vier jaar, gevolgd door twee jaar coschappen waarna de student ‘basisarts’ wordt. Basisartsen moeten ervaring opdoen en een opleidingsplaats tot psychiater zien te vinden. De opleiding tot psychiater duurt drieënhalf jaar en vindt grotendeels in de klinische praktijk plaats. Psychiaters zijn meestal praktisch ingestelde en breed georiënteerde professionals met een redelijke wetenschappelijk interesse. Er bestaan enkele specialismen, zoals kinder- en jeugd- psychiatrie en ouderenpsychiatrie.

De academisch-psychologisch opgeleiden zijn minder talrijk dan de totale groep hbo-opgeleiden maar het aantal psychologen is groter dan de aantallen afzonderlijke hbo-professionals, met uitzondering van de verpleegkundigen. Psychologen worden in vier jaar aan de universiteit opgeleid, kiezen een klinische afstudeerrichting, en zijn dan ‘basispsycholoog’ – vaak met geen of beperkte ervaring in de GGZ. Zij of hij mag formeel pas behandeling bieden na het behalen van het diploma ‘GZ-psycholoog’. Deze opleiding, die in de praktijk plaatsvindt en ook toegankelijk is voor pedagogiek-afgestudeerden, duurt twee jaar en biedt het praktijkleren dat hbo’ers tijdens hun schooltijd en artsen in hun coschappen doen. De gemiddelde GZ-psycholoog in Nederland is vrouw, ongeveer dertig als ze haar diploma heeft, bekwaam en geïnteresseerd in behandeling door gesprekstherapie, en heeft een redelijke wetenschappelijke interesse. Wie zich verder wil specialiseren, kan de opleiding tot klinisch (neuro)psycholoog doen, een vierjarige praktijkopleiding met veel aandacht voor complexe problematiek, behandeling en wetenschappelijke vorming. De klinisch psycholoog is, net als de psychiater, breed inzetbaar als verantwoordelijk behandelaar.

Tot zover ziet het er allemaal redelijk overzichtelijk uit – maar naarmate er meer specialisatie plaatsvindt, wordt het ingewikkelder. Een aantal jaar geleden is een structuur ontworpen met daarin de verpleegkunde, de sociaal-agogiek, de psychologie en de geneeskunde als vier pijlers. Ieder vakgebied heeft een basisberoep en een specialistische variant: verpleegkundige-verpleegkundig specialist, basisarts-psychiater en GZ-psycholoog-klinisch psycholoog. Alleen voor de sociaal-agogen is dit nog niet helemaal geslaagd.

 

‘Lastige gevallen’

In het overzicht heb ik een paar ‘lastige klanten’ nog niet genoemd, namelijk de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige (SPV) en de psychotherapeut. Beiden zijn belangrijke professionals in de ambulante GGZ: de SPV biedt psychosociale begeleiding, de psychotherapeut psychotherapie. De SPV is een verpleegkundige met een vervolgopleiding die tussen basisberoep en specialisme invalt. De psychotherapeut geeft therapieën die minder volgens protocol en ingewikkelder zijn dan die de GZ- psycholoog geeft. Maar ook de klinisch psycholoog en psychiater mogen zich, zonder een afzonderlijke psychotherapieopleiding gedaan te hebben, psychotherapeut noemen. Daarmee valt ook de psychotherapeut een beetje tussen basisprofessional en specialist in maar heeft – in tegenstelling tot de SPV – wel een beschermde titel.

Naast genoemde opleidingen zijn er nog allerlei kortere, specifieke opleidingen en cursussen die bepaalde competenties opleveren maar niet zo makkelijk in te passen zijn in het overzicht. Veel van die cursussen worden door professionals gedaan om hun kennis op peil te houden. Jaarlijks zijn professionals verplicht om een aantal ‘punten’ te halen, waarbij ieder punt grofweg staat voor één uur scholing. De scholingseisen verschillen tussen typen professionals: sommigen moeten jaarlijks gemiddeld veertig punten halen, anderen twintig en voor weer anderen is het een vrijwillige registratie.

Er is de overheid, maar zeker ook beroepsgroepen en GGZ-aanbieders, veel aan gelegen dat cliënten goede zorg en behandeling krijgen. Dat kan door de kwaliteit van de basisopleidingen (aan het hbo en de universiteit) te bewaken. Een voor de GGZ veel belangrijkere manier is te zorgen dat er zogenaamde beroepskwalicaties bestaan: eisen waaraan een professional moet voldoen om een bepaald vak te mogen (blijven) uitoefenen. Begin jaren negentig zijn die beroepskwalicaties vastgelegd in de wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG). Voor de GGZ zijn daarin als basisprofessional (artikel 3) vastgelegd: de verpleegkundige, arts en GZ-psycholoog. Als specialisten (artikel 14) zijn vastgelegd: de verpleegkundig specialist, de psychiater en de klinisch psycholoog. De psychotherapeut, het lastige geval, is een artikel 3-beroep in deze wet. De SPV niet en is daarmee een ‘gewone’ verpleegkundige onder artikel 3. Voor BIG-beroepen geldt het medische tuchtrecht.

Of een professional, met een regelmatig gecontroleerde basisopleiding en voldoend aan de BIG-beroepskwalificaties, altijd een bonafide professional is valt niet met 100% zekerheid te zeggen. Onder formeel gekwalificeerde professionals zitten ook minder goede, en onder formeel niet-gekwaliceerde professionals hele goede.

Samenvatting

Hulp kan goed geboden worden door naasten, maar hoe specifieker, ernstiger en langduriger de problemen zijn, hoe meer professionele hulp in beeld komt. Er werken veel verschillende soorten professionals in de GGZ. Het onderscheid tussen de beroepen en functies is voor de buitenwereld niet altijd even duidelijk maar voor de betrokken professionals wel.

Volgende week: Waarom wordt iemand gedwongen opgenomen?

 

Deze vragen en antwoorden komen uit het boek:

Verward in Nederland, Dr. Bauke Koekkoek, 2017, uitgeverij LannooCampus: https://www.lannoocampus.nl/nl/verward-nederland